Samenvatting
De Doorwandelende God
Op een dag in een klein Nederlands dorpje, waar iedereen elkaar kende, stond de jonge Joris bekend om zijn ongelooflijke geluksgevoel. Wat hij ook deed, het leek altijd goed uit te pakken. Zo had hij bijvoorbeeld ooit een lotto-ticket gekocht met de nummers die hij op een dobbelsteen had gegooid. Tot ieders verbazing won hij de hoofdprijs. De dorpelingen noemden hem 'de Doorwandelende God', naar de uitdrukking 'aan de verkeerde kant van de straat gods'.
Met zijn groeiende roem besloot Joris dat hij zijn talenten wilde gebruiken om anderen te helpen. Hij organiseerde een loterij om geld in te zamelen voor een nieuw dorpshuis. Iedereen gaf hun laatst verdiende centen uit de hoop op een grote winst. Toen Joris echter op de dag van de trekking de prijzen bekendmaakte, bleek hij op de een of andere manier twee keer de hoofdprijs te hebben getrokken. "Ik geloof dat het een teken van de Doorwandelende God is!" riep hij lachend.
Maar wat niemand wist, was dat Joris’s geluk op het punt stond om te draaien. Diezelfde avond, terwijl hij terug naar huis liep, besloot hij zijn ogen te sluiten en zijn pad te volgen zoals hij altijd deed – op gevoel. Met een gerust hart stapte hij de drukke straat op. Natuurlijk, de verkeerswetten waren hier niet voor hem van toepassing. Tot hij met een klap werd aangereden door een passerende fiets, bestuurd door de boze en verwonderde dorpsschooljuf.
Na die fatale gebeurtenis op het kruispunt, werd Joris op de hardhandige manier geconfronteerd met de ironie van zijn zelfverklaarde goddelijkheid. De dorpelingen, die hem ooit als hun geluksbrenger beschouwden, hadden nu geen medelijden meer met hem. Terwijl Joris met een beurse knie en een gebroken ego op de grond lag, fluisterden de inwoners onderling: "Kijk daar, de Doorwandelende God is flink van zijn geloof gevallen!" Vanaf dat moment besloot niemand meer die straat te oversteken zonder eerst naar het verkeer te kijken.









